De vechtscheiding 127: ’Ik ben kansloos tegenover mooie vrouwen’ | Seks & Relaties

0
45

Ik zit de hele riedel uit. Samuel luistert ook altijd naar mij, dus nu hij verdrietig is, moet ik ook naar zijn leed luisteren. Hij is dus als coach van een jeugdteam aan de kant gezet. Dat doet hem pijn en daar vertelt hij graag over. En lang. Over wat er nodig is om van een team een team te maken en dat voetbal zoveel meer is dan alleen scoren. „Het is geen sport voor individuen. Het gaat om het collectief. Maar dat begrijpen die ouders niet. Jouw ex-man voorop.” Had ik al niet eerder gezegd dat Bas een grote egoïst is die voor de snelle winst gaat? Ik knik. Zoiets zou best uit mijn mond geklonken kunnen hebben. „Waarom ben je eigenlijk hier”, vraagt hij tenslotte. Ik slik.

„Dit is misschien niet helemaal het moment”, begin ik voorzichtig.

„Jawel, jawel”, knikt Samuel manhaftig en hij geeft mij een bemoedigend kneepje in mijn been. Ik haal diep adem en gooi het er dan in een keer uit: „Ik heb het verzoek gekregen om marktonderzoek in België te doen voor het makelaarskantoor waarvoor ik eerder heb gewerkt.”

„Het kantoor waarvoor je eerder hebt gewerkt is toch het kantoor van Bas?”

„Ja, natuurlijk. Ja, zo zou je dat wel kunnen zeggen…”

„Jij denkt dat je weer met je ex kunt werken.”

„Ja, waarom niet? Jij zegt zelf altijd dat samenwerken louterend werkt.”

„Ja. Ik bedoelde: louterend met mijn Marielle”, sneert Samuel.

„Mijn Marielle? Mìjn Marielle?”, krijs ik. En zo wordt het van kwaad tot erger tot ik snikkend het huis verlaat met de belofte dat ik nooit meer terug kom. Ik wil niet nadenken over de gevolgen van de ruzie met Samuel. Mijn hoofd zegt me dat het tijd is om voorgoed afscheid te nemen. Er zijn te veel twijfels en te weinig geniet-momentjes. Maar mijn hart is zo ver nog niet.

Weekend weg

Als de proefwerkweken achter de rug zijn, vertrekken Bas en ik naar Brussel. Niet samen. We willen niet aan de kinderen vertellen dat we samen een klus in het buitenland doen. Dat vinden we nog te ingewikkeld voor ze. In plaats daarvan vertel ik ze dat ik naar een vriendin in Londen ga. „Maar dat weekend is papa ook weg”, roept Lente.

„He, wat lastig nou. Ik kan het niet meer verzetten. Zullen we oma Mieke vragen hier te slapen?”

Brussel

„Hoe was je gesprek met Lente”, vraag ik op de eerste avond van ons verblijf in Brussel. We hebben heerlijk gegeten en de zaken voor morgen doorgenomen. Het ging van een leien dakje. Ik ken Bas zijn blinde vlekken, Bas weet hoe hij mij moet inspireren om verder te kijken. Het voelt als vanouds. Bas leunt grijnzend achterover. Hij ziet er nog steeds jongensachtig uit al worden zijn slapen grijs. Eigenlijk wordt hij er alleen maar aantrekkelijker op. „Ze speelde de vermoorde onschuld, maar heeft uiteindelijk wel beloofd om het bedrag terug te betalen. In maandelijkse termijnen.”

„Hoeveel termijnen?”

„30.”

„Bas! Dat is 2 en een half jaar!”

Bas buldert van het lachen. „Sorry. Ik ben kansloos tegenover mooie vrouwen. Dat weet je.”

„O ja, weet ik dat”, vraag ik hem liefjes.

„Ja”, zegt hij volmondig: „Jij als geen ander weet dat ik bezwijk onder de druk van schoonheid. Schoonheid.”

Ik giechel. „Daar zal ik dan vaker gebruik van maken.”

„Graag. Wil je nog iets drinken?”

Het liefst zou ik ja zeggen, maar weet me te beheersen: „Beter van niet. We hebben morgen een breakfastmeeting. Ik ga zo maar naar bed.”

„Prima. Ik loop met je mee.”

Hotelkamer

Bas helpt me uit mijn stoel en slaat een arm om mijn schouders. Van de warmte van zijn sterke arm gaan mijn nekhaartjes rechtop staan. „Dit is mijn kamer.” Bas knikt zwijgend. Ik vis mijn keycard uit mijn handtas en probeer die weer te sluiten, maar daarbij glijdt mijn omslagdoek van mijn schouder en sta ik on-Anouks te hannesen. Bas grinnikt en pakt de keycard van me aan, zodat ik het omslagdoek en mijn handtas weer in orde kan brengen. Ik fatsoeneer de boel en reik naar de card, maar Bas houdt hem al tegen de sensor. De deur zwaait open. Sterke veer. Glimlachend strijkt Bas langs mijn wang en maakt een kleine buiging en zegt: „Mevrouw.” „Dank heer.” Ik schrijd naar binnen in de veronderstelling dat hij wel meeloopt. Dat doet hij niet. Ik draai me half om en kijk Bas vragend aan. Hij grijnst zijn heerlijke grijns en maakt een verontschuldigend gebaar. Ik doe zijn gebaar na en laat daarvoor de deurknop los. „Wat bedoel je?” Bas opent zijn mond om te antwoorden, maar dat hoor ik niet meer want de deur valt in het slot. Die verdomde veer. Vertwijfeld reik ik naar de deur. Zal ik hem binnenvragen? En dan? Ik laat de knop weer los en laat mijn hoofd vertwijfeld tegen de deur aan rusten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in